Verhalen van toen

Onderstaande verhaal vond ik in een oud boekje van mijn vader. Het is een verhaal dat zijn moeder aan het begin van de tweede wereld oorlog heeft geschreven. Ze was opdat moment op bezoek bij een zoon van haar in Rotterdam.

Het begin van den oorlog, zoo ik die zelf mee maakte.

Nadat ik in januari mijn been gebroken had en daarvan met mei zoover herstelt was, dat ik weer lopen kon, zou ik op aandringen van de kinderen en na herhaald verzoek van Suus, naar Rotterdam gaan. Ofschoon er al lang gemobiliseerd was en Duitsland met verschillende mogendheden in oorlog verkeerde, dacht men hier nog aan geen direkt gevaar. 9 mei 1940 vertrok ik met de trein van half 2 en zou den eersten nacht bij Jo slapen, daar Suus en Barend en Bertie, den anderen morgen al vroeg weg zouden gaan, voor een uitstapje naar Scheveningen, omdat Barend, na 14 dagen verlof 's zaterdags naar Genua zou vertrekken om weer in Indië te gaan varen. Heel vroeg in den morgen werden we echter wakker door hevig motor geronk en schieten. Ik ging uit bed terwijl ik tegen Jo in het andere kamertje riep, zeg Jo hoor je dat. Wij de raampjes opengedaan en ook de heele buurt keek al naar het geen had. Vele jagers hadden een lucht gevecht boven ons en toen wij de kant van de Waalhaven opkeken, ontdekten we daar een groote brand. Die nog aangewakkerd werd door de bommenwerpers die we steeds er overheen hun bommen zagen lossen. Toen kwamen ook de vliegtuigen met de parachutisten. Het leken eerst panvletten die ze uitgooiden. Later zei Jo t zijn kranten. Tot we weldra ontdekten dat het parachuten waren. Nu zijn wij ook in de oorlog zei Jo toen. Wij gingen ons kleeden en toen we beneden voor het raam gingen zitten stroomde het al vluchtelingen van de Waalhaven en verschillende plaatsjes in den omtrek. Om 8 uur kwamen de eerste stoottroepen om den hoek. Flinke stoere lui, op een fiets met een geweer op den rug en een pistool in den aanslag reden op hun gemak door de straten. Dus Zuid was al in Duitsche handen. Toen Suus s morgens haar deur opende, stond de buurman er, die naar zijn werk wilde gaan, maar met een pistool was tegengehouden, terwijl de stoker en meerdere personen al dood op straat lagen. Ieder bleef dus nu maar kalm in huis, die niet buiten noodig had en de vluchtelingen bleven maar voorbij trekken. Bij de Maasbrug en verder in de stad was er ook al aardig huis gehouden. Het bleek dat Rijnaken die daar al een week lagen vol met duitschers zaten. De van Galen die pas uit Indië was aangekomen, deed dadelijk goede diensten en vooral het moedig vechten der mariniers werd zeer geroemd. Toch moesten ze voor de overmacht wijken.Onder tuschen zijn er veel vliegtuigen neergeschoten tuschen Rotterdam en den Haag. Bij Mill waren de troepen de grens overgekomen. Bij de Grebbenberg en de afsluitdijk is zwaar gevochten. De koningin was in middels naar Engeland vertrokken. Omdat men de groote steden niet over wilde geven, was een ultimatum gesteld, gaf men voor 12 uur niet over dan zou Rotterdam gebombardeerd worden. Door het bericht van overgave zoo men zegt te laat kwam werd Rotterdam opgeschrikt door een oorverdovend lawaai van bommenwerpers, die na eenmaal de stad overvlogen te hebben, hun bommen over de gehele binnenstad tot aan de Maasbruggen uit gooiden. Toen was het een vuurzee en grootte rookwolken warfen zelfs dagen nadien nog steeds in den lucht. Ook de van Galen en Lloyd boten lagen uit te branden. Om 4 uur trok een groote troep jonge Duitschers met blinkende schoppen op de schouder door de straten, zooals we later heel veel hoorden, zingend natuurlijk. Jo zei, nou als er dan eerst zoveel vernield moet worden is het toch wel heel erg. We handen enge onrustige nachten want steeds was men bang dat de maasbruggen zouden gebombardeerd worden. Telkens vielen er bommen in de omgeving. De bedden werden elken avond in den kamer gebracht en met kleren aan gingen we liggen. Alle verkeer was verbroken. Tot we na drie weken in de krant lazen, dat Fraasen van Vlissingen naar Den Haag reed. De meisjes hadden in Vlissingen een plaats voor mij besproken en door een telegram wist ik, waar ik in kon stappen. Voor het echter zoo ver was, had ik van Fan der schoonzuster vernomen dat allen in Walcheren het goed maakten. En wat die nu allemaal mee gemaakt hebben, wil misschien een van allen hier wel laten volgen.  Jo is nu al één jaar heengegaan. Misschien gelukkig, want zooals me na al de ellende, de menschheid nog is, zal het lang duren, eer zijn idealen verwezelijkt werden.             Moeder.


 

Geschreven 12 nov 1944